Zorg

Sinds 2015 heeft de gemeente er veel nieuwe taken bijgekregen op het gebied van WMOzorg en Jeugdzorg. Dit was en is niet altijd gemakkelijk, vooral niet omdat het overdragen van deze taken van Rijk naar gemeente gepaard ging met forse bezuinigingen en bovendien in een (te) snel tempo ging. Hierdoor hebben inwoners vaak in onzekerheid gezeten en hebben zorgaanbieders het ook niet makkelijk gehad. Inmiddels hebben we veel zaken goed op orde en dat is mooi. Maar dat wil niet zeggen dat er niets te verbeteren valt. Integendeel, na ruim drie jaar ervaring op te hebben gedaan wordt het tijd om bij te sturen; zodat de zorgvrager meer centraal staat, mantelzorgers goed ondersteund en ontlast worden en zorgaanbieders minder belast worden met onnodige bureaucratie. Dat laatste geldt speciaal voor kleinschalige zorgaanbieders die het extra moeilijk hebben.

Actiepunten

  • 1 Maatwerk, op basis van de zorgvraag, moet bij elke vorm van zorg centraal staan. Dit houdt niet op bij de gemeentegrens. Standaardoplossingen doen geen recht aan de kracht en ondersteuningsvraag van de individuele zorgvrager.
  • 2 Zorgvragers krijgen een vast aanspreekpersoon bij de gemeente, waar zij met al hun vragen terechtkunnen, ook als het vragen zijn waar ook andere afdelingen bij betrokken zijn (zoals woningaanpassingen). Deze persoon coördineert de vragen, zorgt ervoor dat deze op de juiste plek worden behandeld en koppelt deze terug naar de zorgvrager.
  • 3 In samenspraak met de WMO-raad en eventuele andere groeperingen zoals de ouderenbonden wordt onderzocht hoe het kan dat de onafhankelijke cliëntondersteuning die de gemeente aanbiedt relatief onbekend is bij zorgvragers en wordt een plan van aanpak gemaakt om dit te verbeteren.
  • 4 Er wordt een cliëntvertrouwenspersoon geïntroduceerd in het sociaal domein. Doel hiervan is het op laagdrempelige wijze bespreken van klachten en onvrede om gezamenlijk naar een bevredigende oplossing te zoeken. Dit maakt het makkelijker voor cliënten om zaken bespreekbaar te maken en voorkomt hiermee ook hopelijk veel formele procedures die tijd en geld kosten.
  • 5 De werkwijze rondom Buurt aan Zet moet opnieuw tegen het licht worden gehouden in samenspraak met in elk geval Plaatselijk Belangen en de Dorpsraad. De theorie over en de geografische begrenzing van de woonservicegebieden wordt niet als reëel ervaren. Hier moet ook de werkwijze van de VIA-teams in worden meegenomen.
  • 6 Onderzocht wordt op welke wijze de gemeente wanbetalers van de zorgpremie, en eerste levensbehoeften zoals huur en energie kan (laten) ondersteunen.
  • 7 De eigen bijdrage in de WMO wordt afgeschaft voor mensen met een inkomen tot 130% van het minimuminkomen. Voor mensen met een inkomen boven deze grens wordt de eigen bijdrage op basis van de omvang van de zorgvraag en het inkomen gemaximeerd op 250 euro.
  • 8 Mensen die huishoudelijke hulp nodig hebben krijgen naast hun reguliere hulp twee keer per jaar recht op een ‘grote servicebeurt’. De gemeente gaat in gesprek met de inwoners om de behoefte te achterhalen om deze servicebeurt in te vullen.
  • 9 Initiatieven vanuit inwoners, onder andere door het Right to Challenge, moet verder worden gestimuleerd, ook binnen het sociaal domein.
  • 10 De gemeente introduceert deelscootmobielen in verzorgingshuizen en op andere plekken waar veel mensen met een mobiliteitsbeperking bij elkaar wonen. Hierdoor wordt voorkomen dat scootmobielen ongebruikt worden.
  • 11 Communicatie met cliënten binnen het sociaal domein moet altijd in begrijpelijke taal. Hiervoor kan bijvoorbeeld Ieder(in), netwerk voor mensen met een beperking of chronische ziekte, worden geconsulteerd.
  • 12 De gemeente zorgt ervoor dat de bureaucratie naar zorgaanbieders wordt verminderd. Dat doet ze door meer afstemming te zoeken met andere Twentse gemeenten zodat niet elke gemeente weer eigen regels heeft. Daarnaast kan de kwalitatieve toetsing eenvoudiger en daarmee beter. Als een zorginstituut een erkend kenmerk heeft, zoals HKZ of CIIO, is dat de beste manier om kwaliteit in beeld te brengen en kan verdere uitvraag zoveel mogelijk worden beperkt.
  • 13 Voor aanbieders van kleinschalige zorg is het ondoenlijk om alle procedures rondom inkoop, aanbesteding en andere trajecten goed te kunnen volgen. Daarom organiseert de gemeente op reguliere basis en zeker wanneer daar aanleiding toe is een overleg waarin hen precies wordt verteld welke ontwikkelingen er spelen en hoe zij daarin ondersteund kunnen worden. Voor overleg met grote aanbieders die in meerdere gemeenten actief zijn wordt dit primair binnen Samen14 opgepakt, maar vervult de gemeente ook een rol als dit niet voldoende is.
  • 14 De gemeente wordt veel scherper in waar het wil samenwerken met de 14 Twentse gemeenten, omdat we onze lokale kracht niet willen verliezen. Een goed voorbeeld waar dit mis ging is de kwestie rondom het vervoer van en naar de dagbesteding. Hier is een goed functionerend systeem met betrokken vrijwilligers om zeep geholpen. Hellendoorn gaat alleen samenwerken binnen Samen14 als dat overduidelijk in het belang van onze eigen gemeente is.
  • 15 De gemeente zorgt ervoor dat gebouwen en de openbare ruimte goed toegankelijk zijn voor mensen met een beperking en maakt hiervoor gebruik van de toetsingseisen voor het behalen van een ITS.